Home » Tijdschrift

Van Pongola wildtuin tot Krugerpark

Bart de Graaff

Zuid-Afrika heeft een grote naam op het gebied van wildbescherming. Het land telt tal van kleinere en grotere natuurreservaten, waarvan het Krugerpark het meest bekende is. Het is een stuk ongerepte natuur dat meer dan half zo groot is als Nederland. Een stuk natuur waarin de mens gast is en de dieren thuis zijn. De Zuid-Afrikaanse traditie van natuurbewaring en wildbescherming is al oud. Het was de regering van de Zuid-Afrikaansche Republiek – beter bekend als de Boerenrepubliek Transvaal – die er zo’n anderhalve eeuw geleden mee begon. Toen, in 1858, voerde de Transvaalse regering een jachtwet in om bijna uitgeroeide wildsoorten te beschermen. Dat hielp overigens niet. Voor de Transvalers was het afschieten van wild een manier om grond geschikt (lees: leeg) te maken voor landbouw en veeteelt; daarnaast leverde het een behoorlijke inkomstenbron op in de vorm van handel in ivoor, huiden en vlees.


Rond 1880 was de wildstand, ondanks de jachtwet, dan ook nog verder achteruit gegaan, en tien jaar later was op het Transvaalse platteland vrijwel geen groot wild (ook wel mega fauna genoemd) meer te vinden. Deze dramatische achteruitgang van de wildstand deed in regeringskringen uiteindelijk het besef doordringen dat er wel beschermingsmaatregelen genomen móésten worden voor het te laat was; dat leidde in 1894 tot de proclamatie van de Pongola Wildtuin, waarvan de Nederlander H.F. van Oordt tot opzichter werd benoemd.

Bewaring en educatie Na afloop van de Anglo-Boerenoorlog (1899-1902), toen de republieken Transvaal en Oranje Vrijstaat opgingen in Brits Zuid-Afrika, werd wildbescherming een nationale zaak en werden gaandeweg meer en meer stukken grond -met name in de omgeving van het huidige Krugerpark- afgebakend als reservaat. Reservaten waarin overigens lang niet alle dieren veilig waren voor de mens: zo werden onder meer krokodillen, hyena’s, wilde honden, bavianen en de grote katachtigen (leeuw, cheeta en luipaard) vrij algemeen als ongedierte beschouwd en als zodanig bejaagd. Jane Carruthers, die uitgebreid heeft gepubliceerd over Zuid-Afrikaanse milieugeschiedenis, beschrijft de volstrekte willekeur waarmee sommige dieren destijds als ‘ondieren’ werden beschouwd: zo zagen krokodillen er gewoon eng uit – net als hyena’s overigens – en waren wilde honden walgelijke schepsels omdat ze soms al van hun prooi aan het eten waren terwijl die nog leefde.  Kortom, aldus Carruthers; dieren vielen in de categorie ondieren als hun voorkomst of gedrag  antropomorfisch onaangenaam aandeed. Het is vooral aan James Stevenson-Hamilton (1867-1957) te danken dat de Zuid-Afrikaanse houding inzake wildbeheer en ‘ongedierte’ veranderde....

 

Wil je het hele artikel lezen? Koop dan ons blad bij de kiosk!

terug

Klik voor grotere kaart