De Dogon, wandelen langs de falaise
Alexander Reeuwijk
Geografie en historie In het westen van Afrika, temidden van tal van landen en landjes, ligt het immens grote Mali. Het land ligt met haar scherpe, hoekige landsgrenzen uitgestrekt van de Sahara, de grootste woestijn ter wereld in het noorden, overlopend in de Sahel in het midden tot aan de subtropische Savanne in het zuiden. Door het hart van het land meandert de machtige rivier de Niger, die steden als Bamako (de hoofdstad), Segou, Mopti en Timboektoe, de beroemde stad in de Sahara, van leven voorziet.
In het centrum van Mali, in de regio van de stad Mopti, ligt een gebied van vierduizend vier-kante kilometer, dat zich uitstrekt vanaf de stad Bandiagara tot aan de grens met Burkina Faso. Dwars door het gebied loopt de Falaise (Bandiagara escarpment), een tweehonderd kilometer lange klif die het landschap driehonderdvijftig meter doet vervallen. Op en rond deze klif zijn honderden stadjes, dorpen en gehuchten gelegen, variërend van nederzettinkjes van niet meer dan twee huizen tot plaatsjes waar enkele honderden inwoners samenwonen. Dit gebied staat bekend onder de naam ‘het land van de Dogon’.
Sinds de vijftiende eeuw heeft de gelijknamige bevolkingsgroep haar intrek genomen in het gebied dat zich destijds beperkte tot op en onder de Falaise. De Dogon waren niet de eerste bewoners van dit gebied. Tot de elfde eeuw werd het gebied bewoond door de Toloy [Tulu], een pygmeeën volk die in een soort honingraat huisjes in de klifmuur woonden. Hun opvolgers, de Tellem, een jagersvolk, leefden er tot de vijftiende eeuw, toen ze door de Dogon uit hun huizen werden gezet.
Reden De keuze van de Dogon om in dit gebied neer te strijken berustte overigens niet op toeval, maar is waarschijnlijk terug te voeren tot twee redenen. De eerste reden was voornamelijk een geografische. Bovenop het plateau, aan de rand van de klif, en in de vlakte onder de Falaise was meer water te vinden dan in de rest van het gebied. De aanwezigheid van water garandeerde leven. Het zorgde ervoor dat men niet uitdroogde, dat gewassen verbouwd konden worden (de Dogon zijn van oorsprong een landbouwvolk) en het trok dieren aan die geschoten en vervolgens gegeten konden worden.
De tweede reden was meer van tactische aard. Als niet-moslimvolk was de Dogonbevolking het leven in die tijd niet zeker. Vele moslimstammen waren op zoek naar slaven, en niet-moslimstammen moesten het ontgelden. Met een overrompelingstechniek werden vele dorpen aangevallen en de inwoners meegenomen. Deze inwoners werden vervolgens aangeboden aan keizers en koningen als slaven.
Wil je verder lezen?
Dat kan door dit nummer te bestellen. Maak 7,00 euro per editie die je bestelt over op bankrekening 53.44.58.602 Vermeld duidelijk je naam en adres en het nummer van de gewenste uitgave, bijvoorbeeld 03.2 etc. De tijdschriften worden na ontvangst van de betaling automatisch naar je toe gestuurd, dit kan enkele weken duren.







